donderdag 9 juni 2011

De tuin

Het voorjaar was in aantocht in de kleine besloten, door hoge gebouwen omgeven, tuin. Een oase van rust. De eerste blaadjes leken voorzichtig uit de op openbarsten staande knoppen naar buiten te kijken. De één wat verder dan de ander, alsof de blaadjes bang waren voor het voorjaarszonnetje dat door de, meest nog kale, takken tot op de grond doordrong.
De eerste insecten kropen schijnbaar doelloos over de langzaam warmer wordende aarde. De natuur werd langzaam wakker uit haar winterslaap. Over niet al te lange tijd zouden de eerste bollen, de aarde boven zich wegduwend, boven de grond uitkomen. Het eerste onkruid zou proberen de boventoon te voeren, als het ware de macht overnemend.
Op de achtergrond was het stromende water dat uit een steen, liggende in een grote schaal, stroomde hoorbaar. De eerste merel verscheen in de tuin, het was Pipo. Pipo was een klein gezellig dikkertje die in het voorjaar altijd als eerste verscheen in de tuin. Een korte inspectie houdend of het nog wel zijn eigen vertrouwde plekje was, waar hij zijn kroost kon grootbrengen.
Mereloe, zijn prachtig mooie vrouwtje zat vanaf een afstandje toe te kijken haar kopje een beetje schuin, alsof ze het dan allemaal beter kon zien. Een nerveus gekwetter klonk. Ze was bang voor de poes die ook soms in de tuin woonden. Meestal lag ze te slapen, maar je kon er niet van op aan. Vorig jaar had ze haar lieve Pipo toch bijna te pakken gehad. Toen hij voorzichtig uit de schaal, water zat te drinken. Blijkbaar toch niet voorzichtig genoeg.
De poes lag heerlijk in het zonnetje te slapen. Ze werd wakker omdat een klein insectje, een mier waarschijnlijk over haar al iets kaler wordende buik kroop. Het kriebelde . Lui rekte ze zich uit. Ze gaapte haar scherpe tanden waren goed zichtbaar. Voorzichtig ging er één oog open. Ze zag bij de vijver een merel zitten. Hé weer die kleine dikke van vorig jaar, dacht ze. Zou ik hem dit jaar wel te pakken krijgen? Ze draaide zich verveeld om en sliep verder.

Het nest.
Het nest van het vorige jaar, hing een beetje uitgezakt in de klimop die tegen de muur met de meeste schaduw groeide. Een paar jaar geleden was Pipo, toen hij oud genoeg was om aan eigen kinderen te denken, voorzichtig begonnen met het bouwen ervan. Aan de schaduw kant, niet in de volle zon. Daar hield hij niet van.
Uiteindelijk had hij Mereloe gevonden die erg onder de indruk was geweest van zijn kwaliteiten als nestbouwer. Maar Pipo kon, zo vond Mereloe, vooral erg goed zingen, met lange uithalen en korte trillers, van hoog naar laag. Ze was altijd erg onder de indruk geweest van zijn gezang bij het opkomen van de zon, maar vooral ‘s-avonds voor het slapen gaan als hij op een schoorsteen in de buurt ging zitten.
Ze had hem al een poosje van een afstand zitten gadeslaan. Ze was een beetje verlegen dus ze durfde niet naar hem toe te vliegen zodat hij haar zag. Ze had nog nooit een vriendje gehad en hij zag er zo ervaren uit. Een Merel die de wereld kende, het klappen van de zweep. Uiteindelijk had hij haar gezien. Het was liefde op het eerste gezicht. geweest. Ze had er nog kriebels in haar buik van.
En nu waren ze al twee zomers bij elkaar. Ze vlogen af en aan met takjes. Het nest moest weer opgebouwd worden. Ze hadden even gedacht een ander nest te maken, want de man die ook wel eens in de tuin zat, zachtjes gitaar spelend, had vlak in de buurt van hun nest een kastje gehangen voor een koolmezen paartje. Uiteindelijk hadden ze toch besloten hun oude nest te houden. Want veel last van die druktemakers hadden ze ook niet gehad. Er was tenslotte genoeg eten in de tuin aanwezig.

Het kroost
Mereloe had op een dag vier eitjes gelegd in het nest. Pipo waande zich al bijna vader maar er moest nog zoveel werk verzet worden. Hij wist niet waar hij het meest tegen opzag was dat het lange zitten op het nest, twee weken, om beurten, of het voeren van het kroost, af en aan vliegen. Hij was van het bewegelijke type, ondanks zijn dikte, allemaal spier beweerde hij altijd, ontbrak het hem niet aan gezonde werklust.
Het was weer een hele zit geweest maar uiteindelijk was de schil van de eitjes gebroken en waren er drie jongen uit gekropen kaal en hulpeloos en zo slap als een vaatdoek. Hij kon zich elke keer weer, niet voorstellen dat die jongen zouden uitgroeien tot prachtige jonge merels.
Één eitje was niet uitgekomen na nog een dag wachten hadden ze het uit het nest gewerkt en naar beneden gegooid. Pipo was snel naar beneden gevlogen om te kijken of er toch niet een jong in had gezeten. Gelukkig niet, hij en Mereloe waren blij toe. Het is toch altijd verdrietig een kind te verliezen.
De drie overgebleven jongen, twee meisjes en één jongen waren voorspoedig opgegroeid. Ze hadden af en aangevlogen met wormpjes, kevertjes en zelf mieren, al vonden ze die wel wat pittig smaken. Elke keer gingen de snaveltjes gulzig open als Pipo of Mereloe aangevlogen kwam. Het jongetje was het hongerigst geweest. Hij deed zijn snavel altijd net iets verder open dan zijn zusjes. Net zijn vader had Mereloe, vervuld van trots, gezegd.

Het uitvliegen
En nu was het zover, vliegen. Het leek zo makkelijk als je het eenmaal kon, maar de eerste keer! Ze hadden alle drie al een keer op de rand van het nest gezeten, een beetje met de vleugels schuddend, maar elke keer als Pipo dacht dat ze het zouden durven deden ze weer een stapje terug, snel het veilige nest weer in. .
Pipo was al een poosje begonnen ze steeds minder eten te brengen. Mereloe kon dat nooit zo goed. Straks komen ze nog om van de honger had ze gedacht. Ze keken je altijd zo hongerig en hoopvol aan. En dan ging Mereloe toch weer wat eten zoeken in de tuin, tussen de struiken. Maar ze wisten allebei eens moest je stoppen met eten geven. Dan begon het op eigen benen staan.
En op een dag was het zover Ineens zagen ze nog maar twee merels in het nest. Eén vrouwtje was weg. Ze schrokken het zou toch niet, de poes? Nee, die klom niet zo hoog. Toen hoorde ze haar ineens één van de meisjes had het gewaagd en zat opgewonden op een tak die laag bij grond hing te roepen en met haar vleugels te schudden. Trots waren ze geweest. Nu de anderen nog. De zelfde dag nog was het nest leeg.

De opvoeding
Pipo en Mereloe wisten dat het nog niet afgelopen was. Het vorige jaar waren ze bijna gelijk weer begonnen met een volgend nest, maar toen ze zagen hoe onhandig hun kroost was. Waren ze snel van dat plan afgestapt. Eerst opvoeden dan pas opnieuw beginnen.
Dat opvoeden was nog niet zo makkelijk geweest. De poes lag altijd op de loer, schijnbaar slapend. De poes was wel een beetje dom want op het moment dat hij trek begon te krijgen begon hij spontaan een wellustig geluid te maken een diep rollende ‘R’ vanachter uit de keel. Zijn staart begon te zwiepen en langzaam sloop hij dan dichterbij. Altijd te laat komend. Maar de jongen herkende dat gevaar nog niet. .
De man die ook in de tuin woonde zette elke dag een bakje met brokjes voor de poes neer. Pipo had ontdekt dat deze erg lekker waren en elke keer vloog hij voorzichtig van tak tot tak huppend richting het bakje met voer en als er iets bewoog dat hij niet herkende dan vloog hij snel weer weg. Altijd op zijn hoede. Dat was de levenservaring die hij had.
Maar de jongen hadden die ervaring nog niet die wisten nog niets van de gevaren die de wereld voor hen in petto had. Die waren nog vrolijk en genoten van het leven, zorgeloos. Onbezonnen vlogen ze door de tuin, hun wereld. De schijnbaar veiligheid van de besloten tuin. De boze buitenwereld kenden ze nog niet en toch moest ze dat geleerd worden. Mereloe en Pipo moesten op enig moment toch duidelijk maken wat voor gevaren er buiten en toch ook in de tuin waren. De illusie van veiligheid moest doorbroken worden.

De wijde wereld
Soms dreigt het noodlot toe te slaan. Heb je er spijt van dat je dat je je kinderen niet eerder wijs heb gemaakt,over de harde werkelijkheid van het leven, is de werkelijkheid te vaak weg gerelativeerd. Pipo en Mereloe waren zorgzame ouders. Tuurlijk hadden ze hun kroost gewaarschuwd voor de gevaren die het leven óók met zich meebracht. Wanneer één van hun jongen te dicht bij de poes kwam hadden ze een hoog gepiep laten horen. Een luid gekwetter, in het ritme van de angst.
Langzaam hadden de jongen geleerd waar de lekkere wormpjes zaten waar de kevertjes kropen. Het kattenvoer was van het menu verdwenen. Het werd tijd de tuin te verlaten, te kijken wat er buiten de veiligheid van de tuin te beleven viel. Voor de poes in de tuin waren ze niet bang meer. Ze wisten dat als ze maar hoog genoeg in een boom op een tak zaten ze veilig waren voor hem.
Ze waren nieuwsgierig en nog zonder angst. Met z’n drieën zaten ze op de rand van het dak en keken de tuin in naar beneden. Ze wisten vandaag vliegen we de wijde wereld in. Pipo en Mereloe waren alweer bezig met de voorbereidingen voor een nieuw nest. Die hadden geen aandacht meer voor hen. Ze schudden hun vleugels nog eens lekker uit op het punt om weg te vliegen. Ze hoorde het geluid van een grote vogel, vleugels die heen en weer klapte, een schaduw, een ekster. Snel vlogen ze weg alle drie een andere richting op.
Het echte leven was begonnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten